Wij kijken verder dan de zaak

Bestuurdersaansprakelijkheid en de matiging gebaseerd op “Alle omstandigheden”.

Geplaatst:  12 juli 2023

Leestijd:  6 minuten

Als een besloten vennootschap in staat van faillissement verklaard wordt, betekent dat in de meeste gevallen dat een groot deel van de schuldeisers naar hun geld kunnen fluiten.

Bij het uitspreken van een faillissement wordt een curator aangesteld die het beheer en de vereffening van de boedel verricht onder het toeziend oog van een rechter-commissaris. De kosten van de inzet van de curator komen ten laste van de boedel. Als er daarna nog geld overblijft, wordt dat uitgekeerd aan de schuldeisers, overeenkomstig hun rang.

Een vast onderdeel van de werkzaamheden van de curator is het onderzoek naar de oorzaken van het faillissement en de wijze waarop het bestuur van de failliet haar bestuurstaken heeft vervuld. In sommige gevallen concludeert de curator dat sprake is van aansprakelijkheid van het bestuur. Het bestuur wordt dan aansprakelijk gehouden voor het tekort in het faillissement. Die aansprakelijkheid vloeit voort uit artikel 2:248 BW. Deze aansprakelijkstelling kan leiden tot langdurige procedures. Zo ook in het geval dat recent door de Hoge Raad[1] is beslecht.

De casus

Aanleiding van deze procedure is het faillissement van een groep van bv’s waaraan in augustus 2004 eerst surseance van betaling verleend is en die daarop aansluitend in staat van faillissement verklaard zijn. De curator heeft de totale schuldenlast becijferd op € 8,5 miljoen en stelt de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank

Bij de rechtbank Rotterdam[2], wordt de curator in het gelijk gesteld. De rechtbank neemt bestuurdersaansprakelijkheid aan op grond van artikel 2:248 lid 2 BW. De bestuurders hebben in deze procedure het vermoeden van causaal verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling – het niet tijdig publiceren van jaarstukken – en de faillissementen niet weg kunnen nemen. Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 2 BW is tevens vastgesteld omdat de curator heeft aangetoond dat ook op andere onderdelen sprake was van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling waarvan aannemelijk was dat die een belangrijke oorzaak vormde van de faillissementen. Die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling bestond eruit dat, in het zicht van de faillissementen, rekening-courant vorderingen op bestuurders werden overgedragen (gecedeerd) aan derden die de koopsom vervolgens konden verrekenen en doordat, in het zicht van de faillissementen, in strijd met de wet, aanzienlijke dividenduitkeringen zijn gedaan. Ten slotte was sprake van overschrijding van bevoegdheden van bestuurders doordat enkele vennootschappen zich in strijd met de statuten hoofdelijk hadden verbonden voor schulden van andere vennootschappen. Hier was sprake van aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW.

Het hof

Met het oordeel van de rechtbank in het achterhoofd lijkten de kansen in hoger beroep beperkt. In hoger beroep[3] wordt de aansprakelijkheid van de bestuurders rekening houdend met “alle omstandigheden” gereduceerd tot slechts 10% van het tekort. Gezien de feiten in deze casus wekt deze uitspraak verwondering.

Met de beperking van de aansprakelijkheid tot 10% van het tekort is de curator het dan ook niet eens en stelt cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad

De Hoge Raad deelt de mening van de curator, dat de motivering van het oordeel van het hof te wensen overlaat, en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam. Het hof krijgt dus een herkansing zich over de casus te buigen. Een einde van de procesgang lijkt dus nog enige tijd op zich te laten wachten.

Wat vond de Hoge Raad niet goed?

Het hof heeft met een oordeel waarbij zij “alle omstandigheden” heeft meegewogen geoordeeld dat de aansprakelijkheid van de bestuurders beperkt is tot 10% van het tekort. Dit oordeel was mede ingegeven door “de op zichzelf genomen geringe beloning van de bestuurders”. In de wet[4] zijn de gronden voor de aansprakelijkheid opgenomen. Deze beperkingen zijn limitatief, dat wil zeggen dat het beperkt is tot de gronden die daar genoemd worden. Een “geringe beloning van de bestuurders” is niet een van die gronden die de wet noemt en daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof.

Indien bestuurders geen persoonlijk voordeel hebben genoten als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling, kan dat in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling aanleiding tot matiging geeft. Omgekeerd ligt het voor de hand dat de rechter minder reden voor matiging ziet als blijkt dat de bestuurder van zijn onverantwoordelijk gedrag heeft geprofiteerd[5]. Juist omdat het hof heeft vastgesteld dat de transacties telkens tot resultaat hadden dat tegoeden of voordelen terechtkwamen bij andere (aan de bestuurders gelieerde vennootschappen) dan bij de failliet en de failliet daardoor nadeel ondervond en om die reden ernstig verwijtbaar aan de bestuurders zijn, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.

 

 

[1] ECLI:NL:HR:2023:635, Hoge Raad, 21 april 2023

[2] ECLI:NL:RBROT:2009:BK3256, Rechtbank Rotterdam, 7 oktober 2009

[3] ECLI:NL:GHDHA:2021:2897, Gerechtshof Den Haag 26 oktober 2021

[4] Artikel 2:248 lid 4 BW

[5] Kamerstukken II 1980/81, 16631, nr. 3, pagina 5


Gekoppelde categorieën:


Terug naar overzicht

Onze advocaten helpen u graag verder. Wat kunnen we voor u doen?

Contact opnemen

Gerelateerde artikelen

Alle artikelen